Registreren | Inloggen       Colofon
  •  
  • Home
  • Het verhaal van Morakondre

'Regering heeft nooit sorry gezegd voor deze moord'

26/04/2020 12:01 - Euritha Tjan A Way

'Regering heeft nooit sorry gezegd voor deze moord'

Palestina Kastiel en Marcel Pinas. Foto: Audry Wajwakana  

MORAKONDRE - Het dorp Morakondre vijf kilometer van Moengo, is het decor van een luguber gebeuren op 1 augustus 1986. Alleen de grond is nog hetzelfde als toen, al het andere is tien maanden na het gebeurde platgebrand. Op die aarde wil kunstenaar Marcel Pinas een monument doen verrijzen. "Morakondre heeft geen plek om dit eerste slachtoffertje te gedenken dat is gevallen in de aanloop naar de oorlog", zegt de kunstenaar.

"Unu kon lala a tori baka, en e key, mi e key. Unu kon lala a tori baka", klinkt het licht verwijtend in het Aucaans uit de mond van Rosa Jacintha Kastiel-Harper, de tante van Ronnie Brunswijk. Ze doelt op het verhaal van Palestina Kastiel dat zij net heeft gedeeld met de Ware Tijd en eigenlijk voor de laatste keer wil vertellen. "We zijn in dit dorp samen opgegroeid. We zijn als zusters, we hadden dit al achter ons gelaten", zegt Kastiel-Harper.

Palestina Kastiel (71) komt aanlopen geholpen door haar twee kinderen. "Jullie hebben een afspraak met me gemaakt en daarom ga ik het verhaal weer vertellen. Is geen politiek dat ik speel, ik beschuldig ook niemand. Maar feiten blijven feiten, het is wat ik heb meegemaakt. Niemand heeft het mij verteld", klinkt het rustig.

Het blijft even stil voordat ze vervolgt. " ... Het is niet goed voor me om het te blijven vertellen. Sinds ik weet dat jullie gaan komen, voel ik me niet goed. Gisteravond kon ik niet goed slapen." Even lijkt het alsof ze niet meer wil vertellen, maar dan neemt ze plaats op een stoel en steekt van wal.

"Het was vrijdag 1 augustus 1986. Ik ga die dag nooit meer vergeten. We hadden hier in het dorp geen stroom, geen krant en geen televisie. Zo af en toe radio, meer niet. Wij wisten niets van gevechten tussen Brunswijk en de regering. We wisten wel dat militairen aan de macht waren, maar verder niets", zegt Kastiel.

Ze zat voor het huis van haar vader, samen met haar nicht die hoogzwanger was. Plotseling hoorden ze aan de rand van het bos schoten. "We wisten niet wat het was, maar we zijn in paniek weggerend. Mijn huis was verder dan dat van mijn nicht, dus ik riep mijn zoon van 2,5 jaar om bij me te komen. Juan Sergio was flink, hij sprak al. Ik heb hem zo vastgehouden en rende met mijn nicht haar huis in." Ze doet voor hoe ze de jongen tegen haar zij vasthield en zijn hoofd op haar schouder legde.

"Mijn nicht ging met haar twee kinderen in een kamer en ik met mijn jongen in die andere kamer. We waren doodstil en mijn zoon zei zachtjes 'mama, me feele', ik ben bang. Ik zei hem nog: 'stil, stil'. Toen hoorde ik buiten iemand zeggen: 'Er zijn mensen hier binnen'." Plotseling werd op het huis geschoten en de moeder van Juan Sergio voelde dat haar zoon haar ineens heel hard vastgreep. "Het was donker en ik zag niets, maar plotseling voelde ik dat er iets vochtig en warm over mijn lichaam liep. Ik dacht nog: wat is dat…".

Ze probeert de tranen weg te zuchten wanneer ze verder vertelt. "Het schot was via de voordeur door de deur van de slaapkamer gekomen, was tussen mijn gezicht en van Juan gegaan en had hem in zijn hoofd getroffen. Mijn jongen was dood!" zegt ze, terwijl ze minutenlang gesmoord kreunt. De tranen lopen over haar gezicht en het gesprek stokt. "De kinderen van mijn nicht begonnen te gillen, want ze hebben ook naar het plafond geschoten, maar bij hen is niets gebeurd."

De soldaten riepen om uit het huis te gaan. "Mijn nicht riep nog: 'Tante, tante, laten we buiten gaan'. Ik zei aan haar dat ik dat niet kan. Miaa poy komoto ye." De moeder stond, versteend met haar zoontje dat haar nog steeds hard omhelsde, aan de grond genageld. Haar nicht kwam kijken wat er was en rende gillend naar buiten. "Ik weet niet of ze had gezien, want de kamer was donker. Ik voelde aan mijn voeten dat er een kussen op de grond was. Ik heb met veel pijn en moeite mijn zoon van me losgemaakt. Ik kon eerst niet naar hem kijken, maar ik zette hem op het kussen neer en keek."

Moeder Kastiel beschrijft snikkend een schuldgevoel. "Ik dacht mensen gaan zeggen dat ik niet goed op hem heb gelet of dat ik iets heb gedaan. Ik keek naar hem en dacht nog: 'als het je benen of armen waren kon ik je naar huis brengen om te genezen mijn zoon. Maar je hoofd ..." In een opwelling en gedreven door schuldgevoel maakte zij het raam open, sprong naar buiten en rende vanuit het huis dat aan de bosrand was het bos in. "Plotseling hoorde ik iemand zeggen: 'no vrouw no kon dya'. Toen pas realiseerde ik me dat ik in het bos was."

Het blijft minuten stil ... "Ik zag een bevende soldaat me tegemoet lopen. Hij vroeg: 'Wat is er gebeurd?' Ik zei hem: 'Na yu kiri mi boi, na yu'." Moeder Kastiel beschrijft de minuten na de moord op haar zoon. "De militairen gingen stuk voor stuk naar binnen en de eerste die eruit kwam hoorde ik in zijn portofoon zeggen: 'Er is een overschot hier'. Elke militair die uit het huis kwam zette zijn pistool met kolf naar beneden neer."

Er kwam een oudere militair op haar af die uit een zwarte emmer water over haar heen goot. Ze zat vol met bloed en resten van het lichaam van haar zoon. "Later hebben we de aarde daar weggeschrapt en ergens anders gebracht." Intussen volgde een discussie over het lijk wel of niet meenemen naar Paramaribo. Uiteindelijk werd besloten dat het lijk wel mee zou gaan, maar terug moest komen naar het dorp. Ambulance en lijkenwagen bleken direct voorhanden en schenen met de militairen colonne mee te zijn gekomen.

"Vier dagen later kwamen ze onderzoek doen en foto's maken in het dorp. Ze vroegen me: 'waar stond de persoon?' Het was donker in de kamer en ik kon niets zien, dus ik wees de richting aan van waaruit ik dacht dat het schot was gekomen ... God heeft mij juist laten zien. Want een lange, slanke, donkere militair die Leeflang werd genoemd, liep naar de locatie en vond het hulsel en zei: 'Inderdaad, het is van één van onze geweren'." Toen moeder Kastiel daarna de kamer binnenging was het tot aan het plafond aan vol met bloedspatten en stukjes van het lichaam van de jongen. "Zelfs achter en op de kleerkast zat bloed."

Een week na de moord kwam er een lijkenwagen het stoffelijk overschot brengen. "Ze hebben hem zo voor me gepost, niemand heeft hem gebracht. Zoveel mensen waren weg. Ze hebben 25 mannen die ouder van vijftien jaar waren die ze vonden in het dorp meegenomen en opgesloten. Er waren vijf mannen over die in het bos waren gaan schuilen. Zij hebben samen met de kapitein - mijn vader - en de overgebleven mensen in het dorp de avond met me doorgebracht. Die zaterdag hebben we mijn zoon begraven. Alsof het een beest was, is hij behandeld, iedereen heeft het over Moiwana, niemand praat over mijn zoon die het eerste slachtoffer werd in deze gewapende strijd", zegt Kastiel, terwijl ze haar tranen de vrije loop laat.

Maar als de familie dacht dat het drama was afgelopen, had ze het glad mis. "Tien maanden later in mei 1987, hoorde we dat er weer mensen kwamen naar het dorp. We zagen ook de helikopters en vluchtten het bos in." De troepen die toen het dorp bezochten, hebben Morakondre platgebrand. Moeder Kastiel vluchtte het bos verder in met haar acht kinderen en met een bootje voeren zij verder. Vier maanden lang bleven ze in het bos, totdat ze de kust veilig vonden en naar Paramaribo vluchtten. Moeder Kastiel is even stil, maar dochter Marjon vertelt verder. "We zaten vier maanden lang in het bos met muskieten. We hebben zelf een kamp gebouwd. We weten dat het de militairen moeten zijn, want we kwamen daarna terug en vonden handgranaten en legertanks vol met olie. Diezelfde olie hebben we dagenlang gebruikt om licht te hebben met de kokolampu", zegt Marjon. Onderzoek heeft volgens haar uitgewezen dat er bommen vanuit de helikopter zijn gegooid om het dorp in brand te steken.

Het gezelschap van vrijwel alleen vrouwen zit in de recreatiezaal het verhaal te doen. "Hier was eerst een oude danszaal. De grote kaskavel - zo hoorde ik later dat het heette - stond erachter met het wapen naar de rivier gericht. Na het gebeuren op 1 augustus hebben we begrepen dat het leger op zoek was naar Ronnie Brunswijk, zijn moeder is van dit dorp, maar ze was toen al lang weg naar Moengotapu bij haar man. Daar zijn der kinderen ook opgevoed, ze zijn niet gewend met ons", zegt moeder Kastiel. Haar vriendin Kastiel-Harper corrigeert haar. "Nee! Ze zijn niemand komen zoeken. Ze zijn gekomen om te moorden, anders zouden ze niet met ambulance en lijkenwagen gelijk komen", luidt haar conclusie. Marjon vindt niet dat haar broertje een slachtoffer is van oorlog. "Volgens mij werd toen nog niet gevochten. Dat was daarna pas." Officieel wordt de 23 juni 1986 genoemd als de start van de Binnenlandse Oorlog. Toen werd de post te Stolkersijver aangevallen door de mannen van Brunswijk.

Tijdens het regiem van president Jules Wijdenbosch werd moeder Kastiel gevraagd naar haar getuigenis. "Ik heb net als aan u verteld wat er is gebeurd toen. Daar zat een zekere meneer Libretto aan. Ik kreeg toen de vraag wat ze me moeten betalen of wat ze voor me kunnen doen om te compenseren. Ik heb ze gevraagd: 'welk bedrag is een mens waard? Mijn zoon is geen dier en mensen kan je niet kopen. Ik wil geen bloedgeld. Ik wil geen geld of werk van de overheid. Dan heb ik geprofiteerd van de dood van mijn zoon. Dat zou ik nooit kunnen.'" Op 8 augustus 1986 verscheen in het Reformatorisch Dagblad een bericht waarbij de staat Suriname een communiqué had vrijgegeven waarbij de dood van een meisje te Morakondre werd toegeschreven aan het Jungle Commando. In datzelfde bericht ontkent André Haakmat die daarvoor vicepresident was van Suriname en intussen tegen het regiem-Bouterse was, dat het kind - dat dus een jongetje bleek - werd gedood door het Jungle Commando. Dat zou volgens hem door het Nationaal Leger zijn gebeurd.

Het voorval te Morakondre is niet meegenomen in de case tegen de staat voor hetgeen in Moiwana gebeurde, enkele kilometers verderop op 29 november 1986, toen 39 burgers werden vermoord. Het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelde Suriname om de mensen te compenseren en het dorp weer op te bouwen. Andere punten uit het vonnis betreffen een publiekelijke verontschuldiging van de staat aan de nabestaanden en eerbetoon aan politie-inspecteur Herman Gooding, die onderzoek naar de Moiwanamoorden deed en zelf door moord om het leven kwam. Een vonnis dat nu nog steeds niet volledig is uitgevoerd.

Aan de familie Kastiel noch aan Morakondre is ooit verontschuldigingen aangeboden door de regering. Immers, wie spijt betuigt, accepteert schuld. "Nooit! Nooit heeft iemand sorry gezegd voor de moord op mijn zoon en die militair, meneer Leeflang, heeft bevestigd dat zij het zijn. Brunswijk kwam nooit hier, ik kende hem toen niet eens", zegt de moeder van Juan Sergio. Kastiel-Harper en Marjon: "Als ze wel sorry hadden gezegd, dan zou zij zich anders voelen en dan zou de regering misschien iets voor het dorp kunnen doen. Heel veel mensen zijn nooit hierheen teruggekomen. Ze willen wel, maar hoe moeten ze dat doen als ze geen geld hebben om hun huis weer op te zetten."

Moeder Kastiel streek na jaren in Paramaribo en "leven van wat mensen mij gaven en slapen in huizen van anderen" in 1994 weer neer in Morakondre. "Ik heb dat jaar besloten: dood of leven, ik kom terug. Zo heb ik mijn kostgrond aangelegd en samen met vrouwen hier die mij hebben geholpen weer mijn leven opgepakt." Marcel Pinas is nu bezig met het ontwerp van het monument dat te Morakondre moet komen te staan, met als streefdatum voor onthulling 1 augustus. Marjon hoop dat daarmee ook de zielenrust van haar broertje zal komen. "Mijn moeder voelt precies aan wanneer het 1 augustus wordt, ze voelt zich dan vreselijk beroerd. We hopen door het monument ons verdriet een plaats te kunnen geven en deze periode af te sluiten."

Share on Facebook    

Gerelateerde artikelen

Reageren op dit bericht? Bezoek onze Facebook-pagina