• Home
  • Surinaams paradijs bleek hel voor boeroes

Surinaams paradijs bleek hel voor boeroes

06/07/2016 17:00

Surinaams paradijs bleek hel voor boeroes

 

ACHTERGROND - Op 20 juni kwamen de boeroes bij elkaar voor de jaarlijkse kranslegging bij hun monument in Groningen. In 1845 kwamen honderden van hun voorouders naar Suriname om een nieuwe toekomst op te bouwen. Binnen vijf maanden overleed de helft van hen aan een tot nu toe onbekende ziekte. Eind dit jaar wordt de uitslag van het DNA-onderzoek verwacht.“De Shigella-bacterie zou wel eens de boosdoener kunnen zijn.”

Tekst: Akke de Bruijn beeld: collectie Jaap van Dissel

Het is een aangrijpend verhaal, de komst naar Suriname van de voorouders van de boeroes (niet te verwarren met de koloniale plantagehouders). Op 20 juni 1845 meren twee zeilschepen, de Suzanna Maria en de Noord-Holland met 202 boeren uit Nederland aan bij plantage Voorzorg, tegenover Groningen aan de Saramaccarivier. Nog twee schepen volgen de maanden erna. In totaal komen 384 boeren uit de Nederlandse streken de Veluwe en de Betuwe naar Suriname.

Het idee achter deze verhuizing kwam van drie Nederlandse dorpspredikanten. In die jaren ging het slecht op het Nederlandse platteland. Er was grote armoede, hoge werkloosheid, kinderarbeid, en er waren mislukte graan- en aardappeloogsten. Suriname is in diezelfde tijd als plantagekolonie op zijn retour. Het aantal plantages loopt sterk terug, en er komen gronden vrij. Het plan van de dominees behelst vestiging van de Nederlandse boeren in Suriname, waar deze kolonisten als zelfstandige boeren (dus zonder slaven) in hun onderhoud gaan voorzien.

"Daarmee willen de Nederlandse boeren aantonen dat ook blanken handenarbeid kunnen verrichten in Suriname en een bijdrage leveren aan de economie", vertelt nazaat Hanna Gummels-Loor. Zij is oud-voorzitter van de Stichting Sranan Boeroe en nicht van de bekende historicus André Loor. Het plan wordt goedgekeurd door de Nederlandse regering. Dominee Betting vertrekt in 1843 als eerste om vooronderzoek te doen. Hij schrikt echter van de locatie bij Groningen die het koloniale gouvernement heeft aangewezen en besluit van de onderneming af te zien. Gummels-Loor: "Het gouvernement in Suriname wilde die Nederlandse kolonisten ver van het bewoonde gebied laten settelen zodat de slaven niet zouden zien dat blanken ook hard op het land konden werken." Ondanks het negatieve advies van Betting die teruggaat naar Nederland wordt de kolonisatie voortgezet. De plaats van vestiging wordt de verlaten nederzetting Voorzorg voorheen leprozenkolonie aan de Saramaccarivier, tegenover Groningen.

Onbekende ziekte

Vol hoop en goede moed komt de eerste lichting boeren van het arme Nederlandse platteland naar het tropische Suriname om een nieuwe toekomst op te bouwen. Binnen vijf maanden overlijdt echter de helft van hen aan een tot nu toe onbekende ziekte. Jaap van Dissel, hoogleraar infectieziektebestrijding van het Academisch Ziekenhuis in Leiden, Nederland, onderzoekt momenteel de werkelijke ziekteverwekker uit 1845. Hij verwacht eind van dit jaar de uitslag. Al sinds 1999 komt Van Dissel bijna elk jaar in Suriname. Vanuit de Nederlandse Vereniging voor Immunologie ondersteunt hij het immunologie-onderwijs in Paramaribo. Eerst kwam hij als spreker op het jaarlijkse symposium Immunologie en Infectieziekten, nu zit hij in de organisatie, samen met het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo, de Stichting Postacademisch Onderwijs Geneeskunde Suriname en de Faculteit van de Medische Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit.

In 2010 staat Van Dissel aan de oever van de Saramaccarivier, met aan zijn zijde collega René de Vries te kijken naar de overkant waar ooit plantage Voorzorg lag. Nu oerwoud. "We maakten die dag een toeristisch uitstapje. De Vries vertelde mij bij de steiger over de boeroes. Hun komst, de massale sterfte onder deze hoopvolle arme boeren, raakte mij. Alles wat deze mensen was beloofd, ontbrak. Ze zouden goede huisjes krijgen, met een tafel en twee banken, wat vee, een paar kippen, ieder vier akkers, gereedschap, goede sluizen. Er was niets, alleen vies brak water en een paar gammele huisjes. De boeren waren zo boos, dat ze aanvankelijk niet aan wal wilden gaan."

Dominee Copijn kreeg de Nederlandse kolonisten zo ver dat ze van boord gingen, op 21 juni 1845

De boeren lieten zich aanvankelijk niet klein krijgen en gingen aan de slag. Maar toen brak in de derde week een ziekte uit die zich niet liet beteugelen. Onder de 184 overledenen was ook dominee Copijn. "Er werd gedacht dat de mensen waren overleden aan buiktyfus", vervolgt Van Dissel. "Maar de grote besmettelijkheid, duur van de ziekte en zeer hoge sterfte, met name onder kinderen, komen niet overeen met dat van buiktyfus. Ik wilde weten wat de werkelijke ziekteverwekker was geweest. Die zoektocht werd een beetje een persoonlijke obsessie."

Indiana Jones

Boeroes _dna _onderzoek3

Maar om de oude ziekteverwekker te vinden, heb je de skeletten nodig, en daar weer de kiezen van. Daar zit DNA-materiaal in dat wellicht uitkomst biedt. Waar de gestorven boeren waren begraven, is lange tijd onduidelijk. "Het is een soort Indiana Jones verhaal", vervolgt Van Dissel. "Ik vlooide door oude documenten van de gouvernementssecretarie en correspondentie van de beheerder van de kolonisatie-poging, dominee Van den Brandhof in de Leidse Universiteitsbibliotheek, het Koninklijk Instituut voor Land- en Volkenkunde en het Nationaal Archief in Den Haag, op zoek naar interessante informatie". Uiteindelijk vindt Van Dissel oude kaarten van dokter Tijdeman die in 1845 op een naburige plantage werkte en niet zonder persoonlijk risico ging helpen bij Voorzorg. Tijdeman had tekeningen gemaakt van de nederzetting, voor én na de epidemie, en op de laatste stond plots een kerkhof getekend dat ontbrak op eerdere tekeningen. Op die plek is Van Dissel in 2011 gaan graven. Maar niet zonder toestemming van de nabestaanden van de kolonisten, de Boeroes.

Van Dissel zoekt contact met de Stichting Sranan Boeroe. Voorzitter is op dat moment Hanna Gummels-Loor. "Mijn oom André Loor heeft sterk aangedrongen op de oprichting van deze stichting. Hij zei: 'Zorg dat de boeroes zich zó geïntegreerd voelen in de Surinaamse samenleving dat ze zich Surinamer voelen, en tegelijkertijd trots zijn op hun boeroe-roots.' Toen Van Dissel aan ons vroeg of hij mocht gaan zoeken naar de graven van onze stamvaders en -moeders op Groningen hebben we eerst getwijfeld. We wilden de zielen van onze voorouders met rust laten. Ze hadden al zoveel meegemaakt."

Opgravingen

De twijfels worden voorgelegd aan André Loor. Hij reageert als wetenschapper én historicus en zegt dat onderzoek naar de ziekteverwekker uit 1845 van groot belang is voor de boeroe-gemeenschap. En zo gaan Van Dissel en De Vries aan de slag. Met toestemming van de Surinaamse overheid, de politie, de medische faculteit. De opgraving starten in oktober 2011, in de grote drogetijd want regen is funest bij het openleggen van de grond. Het team van Van Dissel, met drie archeologen, werkt voorzichtig, gekleed in witte isolatiepakken. Het DNA-materiaal van de overledenen mag niet besmet raken met DNA-materiaal van de werkers in het veld.

Nadat de bovenlaag van het terrein is afgegraven, komen de contouren van zo'n veertig doodskisten tevoorschijn. Het hout is natuurlijk vergaan, maar donkere lijnen markeren de locatie van de kisten, groot en klein. Gummels-Loor: "Van Dissel was van plan om kiezen te trekken uit de schedels. Daarin zit DNA-materiaal voor het onderzoek. Wij waren op die dag aanwezig met drie boeroes. Tony van Dijk en Merita Vaz-Moniz gingen met mij mee. Het heeft ons erg aangegrepen. Van Dissel nodigde mij uit om iets te zeggen. Dat heb ik gedaan. Het was een heel mooi moment. Alle medewerkers van Van Dissel stonden op een rij, de pet af, heel eerbiedig. De Nederlandse archeologe die er bij was, zei tegen ons: 'Ik heb op zoveel plekken in de wereld archeologische opgravingen gedaan, maar nooit waren er nabestaanden bij.' Het was ook voor haar heel ontroerend." Na twee weken zijn de graven weer afgedekt, nadat uit zeventien schedels wat kiezen waren getrokken.

Bacteriële infectie

"Uit die kiezen krijg je een terabyte hoeveelheid aan informatie over de DNA-stukjes"

Van Dissel legt uit hoe het zit met die kiezen. Als mensen doodgaan aan een bacteriële infectie, dan komt de bacterie vaak in het bloed en daarmee in de tandwortels terecht. Daaruit kan het eeuwen later soms nog geïsoleerd worden, als stukjes bacterieel DNA. Van Dissel: "Op grond van alles wat over de epidemie nu bekend geworden is zou de Shigella-bacterie wel eens de boosdoener zou kunnen zijn. Deze bacterie veroorzaakt een darmontsteking en gaat gepaard met heftige, soms bloederige diarree." Ook Tijdeman noteerde destijds in zijn proefschrift dat veel zieken diarree hadden die 'spoedig een sanguïnolent (bloederig) karakter kreeg. "Als mensen voldoende vocht krijgen toegediend is Shigellose meestal niet dodelijk, maar in primitieve omstandigheden en tropische hitte is dat wel anders. Maar ook andere infecties, zoals Leptospirose, behoren zeker tot de mogelijkheden." Het onderzoek naar het gevonden DNA vindt momenteel plaats in het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Van Dissel had de boeroes er al op voorbereid dat het onderzoek zo'n vijf jaar zou duren.  "Per kies krijg je ongeveer net zoveel informatie als 250 volle dvd-schijven." Door middel van internationale databases zijn we het materiaal nu aan het vergelijken. DNA-sequencen, het vakgebied waarin bio-informatie met elkaar wordt vergeleken, is heel booming. Wat dat betreft hebben we de tijd mee. Vergelijk het met een grote universiteitsbibliotheek. Wat je eigenlijk vraagt is: vind een stukje van een regel tekst terug in een van die duizenden boeken. We zoeken naar een naald in de hooiberg. Dit najaar hopen we klaar te zijn met het DNA-onderzoek."

Lievelingsdrank

Boeroes _dna _onderzoek2

Bij de opgravingen in Groningen in 2011 zijn spijkers gevonden, een armbandje, gespen, en een glazen halsdop van een jeneverfles. "Die hals lag bij een hele lange kist, vermoedelijk van een man", aldus Gummels-Loor. "Zijn nabestaanden hebben waarschijnlijk zijn lievelingsdrank als troost in zijn kist gelegd. Wij als boeroes wilden eigenlijk dat alles in de grond zou blijven, maar Van Dissel opperde het idee om die jeneverdop in te metselen in een monument voor onze overleden voorouders, bij de plek waar ze liggen begraven. Die dop is momenteel in bewaring bij onze Stichting. Het is nu wachten op het monument. Daarvoor hebben wij al in 2012 een verzoek gedaan bij de districtcommissaris van Saramacca. We wachten op zijn toestemming."

In 1853 wordt het kolonisatie-project door de Nederlandse regering officieel opgeheven. De boeroes verhuizen aanvankelijk naar de overkant van de rivier, naar Groningen. Daar bouwen ze met inzet van slaven, die ter beschikking zijn gesteld door het koloniale gouvernement, een aantal woningen. Maar als zelfstandige boer kunnen ze daar niet overleven. Het is twee dagen varen naar de grote stad Paramaribo waar ze hun groente en fruit moeten afzetten. Tegen die tijd is alles onverkoopbaar. De boeroes vertrekken naar Paramaribo, waar ze onder andere terecht komen op Kwatta, Uitvlugt en land Van Dijk.

En de derde dominee, Van den Brandhof? Die was zo slim om zijn woning als pre-fab-pakket meegenomen uit Nederland direct in Groningen neer te zetten, tegenover Voorzorg. In zijn aantekeningen staat te lezen dat hij vanaf zijn balkon de lijkkisten voorbij ziet komen. Hij is niet geliefd bij de andere boeroes en keert in 1854 terug naar Nederland. Het huis van Van den Brandhof in Groningen staat er nog steeds. Het is in gebruik als kantoor van de districtscommissaris van Saramacca.

Bij de kranslegging op 20 juni jl. in Groningen is ook de Bron van Hoop ingehuldigd. Tevens zijn de eerste folders met de geschiedenis van de boeroes overhandigd aan dedistrictscommissarisLaksmienarain Doebay. Voor informatie: srananboeroe@gmail.com

Dit artikel is verschenen in de weekendbijlage van 2 juli.

Share on Facebook    

Reageren op dit bericht? Bezoek onze Facebook-pagina