Registreren | Inloggen       Colofon
  • Home
  • DE STRAFEIS: Heersers van leven en dood

Heersers van leven en dood

06/07/2017 18:00

De 'Groep van 16', die de militaire coup pleegde in 1980, waarvan de betrokkenheid van de leden bij de Decembermoorden 'onomstotelijk' vaststaat.

De 'Groep van 16', die de militaire coup pleegde in 1980, waarvan de betrokkenheid van de leden bij de Decembermoorden 'onomstotelijk' vaststaat.  

HET REQUISITOIR - Auditeur-militair Roy Elgin heeft op 28 juni twintig jaar onvoorwaardelijk geëist tegen huidig president Desi Bouterse, voor zijn rol in de decembermoorden van 1982 in Fort Zeelandia. Van het requisitoir, van maar liefst 35 vellen, heeft de Ware Tijd een kopie. Een samenvatting van een overtuigend reconstructieproces, op basis van ‘uiterst betrouwbare’ getuigenverklaringen.

Tekst: Iwan Brave - beeld: Nacht van de Revolutie/Jozef Slagveer

"TOEN DE AUDITEUR-militair de strafeis voorlas, kon je een speld horen vallen", vertelde onze redacteur Ivan Cairo over de sfeer in de rechtszaal. Wie er niet bij was en het requisitoir van 35 vellen leest, kan dat goed begrijpen. Natuurlijk zal de stilte te maken hebben gehad met het grote moment dat eindelijk was aangebroken. Maar het had ook te maken met de overtuigende wijze waarop Roy Elgin zijn strafeis tegen Bouterse heeft opgebouwd. Het is van een verrassend helder taalgebruik dat boeit.

Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en tijdens de rechtszittingen zijn 'heel veel' getuigen gehoord. En die splitst Elgin op in zes categorieën: directe nabestaanden, zij die "vanwege hun werk" in het Fort Zeelandia waren, getuigende 'verdachten', getuige Fred Derby (de enige overlevende van de zestien opgepakte personen), het toenmalige hoofd van de inlichtingendienst en getuigen die zich, nadat de slachtoffers waren opgepakt of de "geruchtenstroom over doden op gang was gekomen", hadden begeven naar het fort of het mortuarium.

"Het is van belang om getuigen te categoriseren omdat in deze strafzaak, het vaststaat dat getuigen na bijna twintig jaar gehoord zijn nadat de misdrijven gepleegd zijn. Dit tijdsverloop kan van invloed zijn geweest op het zich herinneren van de gebeurtenissen", betoogt Elgin. Hij haalt rechtspsychologische vakliteratuur erbij om aan te tonen hoe getuigen het predicaat "uiterst betrouwbaar" verdienen. Sommigen wisten zich vanwege het tijdsverloop "niets meer of nauwelijks iets" te kunnen herinneren, terwijl anderen juist "heel gedetailleerd" een verklaring hadden afgelegd. Dit leidt tot twee vragen: hoe is een dergelijk verschil mogelijk en welke waarde moeten we geven aan de betrouwbaarheid van deze twee extremen?

Menselijk geheugen

Voor het menselijk geheugen geldt dat vergeten regel is en onthouden de uitzondering

VOOR HET ANTWOORD raadpleegde de auditeur-militair twee Nederlandse rechtspsychologische werken: 'Reizen met mijn rechter' en 'Hervonden herinneringen en andere misverstanden'. In de eerste plaats geldt voor het menselijk geheugen dat "vergeten regel is en onthouden de uitzondering". Ten tweede is ons geheugen "geen reproducerende maar een reconstruerende instantie, en bij reconstructie kunnen fouten worden gemaakt". En hoewel ons geheugen voortdurend steken laat vallen, "is er geen enkele evidentie dat wij geneigd zijn om traumatische ervaringen extra snel en radicaal te vergeten. Integendeel, dergelijke gevallen worden eerder beter dan slechter onthouden".

In beide boekwerken wordt gesteld dat "hoofdzonde van het geheugen fouten is". Ondanks deze aangehaalde onvolkomenheden van het geheugen "moet niet de indruk ontstaan dat het nogal slecht gesteld is met de onbetrouwbaarheid van onze herinneringen". Meestal gaat het met herinneren wel goed, maar omdat het een 'reconstructieproces' is, sluipen er weleens fouten in.

Er wordt zelfs gesteld dat "de meeste herinneringen van oprechte getuigen betrouwbaar zijn". Daarom is er volgens Elgin "geen wetenschappelijke verklaring" voor het feit dat de getuigen Mohamedsaid en Doorson zich in de rechtbank ineens niets meer konden herinneren. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek (gvo) hadden ze (gedetailleerde) verklaringen afgelegd, terwijl de tijdspanne tussen het gvo en de rechtszitting korter was dan die tussen de gruwelijke gebeurtenissen en het gvo. Ineens heette het bij deze twee getuigen: "Ik kan mij niets meer herinneren". Dit ondanks voldoende 'ophaalaanwijzingen' gebruikt zijn om hen te helpen zich iets te herinneren. Nu een "beproefde wetenschappelijk verantwoorde methode" is gebruikt om de getuigen aan de praat te krijgen, is dat reden voor Elgin deze twee getuigen als 'niet betrouwbaar' aan te merken.

Daarentegen stelt hij dat andere getuigen die zich de gebeurtenissen nog in detail kunnen herinneren, de kwalificatie 'betrouwbaar' verdienen, zoals wetenschappelijk verklaard door rechtspsychologen met dien verstande dat er fouten in deze 'reconstructie' kunnen sluipen. "De auditeur-militair zal derhalve overwegend gebruik maken van deze groep getuigen om het bewijs in deze strafzaak aan te dragen", hield Elgin zijn gehoor voor.

Historisch kader

Elgin brengt zijn gehoor letterlijk terug in de donkere beginjaren tachtig van de vorige eeuw

ZOALS DE AUDITEUR-militair van tevoren een leerzaam wetenschappelijk kader schetst met betrekking tot getuigen, schetst hij ook een boeiend én leerzaam historisch kader rondom de gebeurtenissen. Elgin brengt zijn gehoor letterlijk terug in de donkere beginjaren tachtig van de vorige eeuw. Op zo'n heldere wijze in bijna gewone-mensentaal, dat het aan te bevelen is dat het ministerie van Onderwijs het requisitoir tegen Bouterse in boekvorm uitbrengt, zodat scholieren in het voortgezet onderwijs dit als historisch lesstof tot zich kunnen nemen. In de paragraaf 'Het milieu waarbinnen de strafbare feiten zijn gepleegd', windt Elgin er geen doekjes om.

"In de jaren tachtig was er na de machtsovername geen sprake van een rechtsstaat", betoogt hij ongezouten. "De grondwet was immers buiten werking gesteld. De militaire machtshebbers hadden het voor het zeggen. Van scheiding der machten was er nauwelijks sprake. Iedereen die werd bestempeld als subversief (gezagsondermijnend, ...red.) werd bij tij en ontij opgepakt. Critici werden opgebracht en ernstig geïntimideerd. De pers was gecensureerd. Kortom het was usance (gebruik, …red.) geworden dat opdrachten om deze of gene op te halen zonder meer werden uitgevoerd." Krachtig is dat de auditeur-militair voor de "juistheid van deze constatering" verwijst naar verklaringen van "diverse militairen en niet-militaire getuigen".

Sterk is ook dat Elgin deze strafzaak een 'uniek karakter' toebedeeld omdat de strafbare feiten zijn gepleegd door "onder andere personen die toebedeeld waren met staatsmacht en dat misbruik is gemaakt van aan de Staat toevertrouwde middelen en instituten". Dit unieke karakter heeft tot gevolg dat hij "noodzakelijkerwijs historische feiten zal moeten bespreken, omdat deze feiten uiteindelijk resulteerden in het plegen van de 8 Decembermoorden."

Groep van 16

De Groep van 16 was een niet te miskennen strategische machtsfactor binnen en buiten het leger

DAARBIJ ZOOMT ELGIN in op de rol van de 'Groep van 16', die de coup pleegde op 25 februari 1980, onder leiding van Bouterse en met hoofdrollen ook voor Roy Horb, Paul Bhagwandas en Wilfred Hawker. Tussen de leden van deze Groep van 16 was een "onlosmakelijke lotsverbondenheid". Hoewel slechts enkelen politieke aspiraties hadden moest deze groep in stand blijven, "omwille van het consolideren van de machtsverhoudingen". Veranderde machtsverhoudingen kon immers betekenen "dat het leven of vrijheid van elk lid afzonderlijk niet meer gegarandeerd was. De leden waren daarom ook aan elkaar veroordeeld".

De Groep van 16 was een "niet te miskennen strategische machtsfactor binnen en buiten het leger". Voor deze constatering haalt auditeur-militair Elgin hoofdverdachte Bouterse zelf aan: "De groep van 16 vormde een historische eenheid" en ze werd erbij gehaald "als er zich bepaalde zaken voordeden". Getuige en verdachte Ruben Rozendaal zei het als volgt: "Als er poep aan de knikker is."

Getuige Mohamedsaid verklaarde dat in de korte periode voorafgaand aan de decembermoorden het bezoek van de leden van de Groep van 16 aan Fort Zeelandia flink toenam ("frequenteerde!") De leden namen altijd 'gezamenlijke besluiten'. "Zelfs in geval van een vermeende dreiging wisten zij elkaar zonder afspraak te vinden en op enig moment te begrijpen (planberaming) om vervolgens over te gaan tot een gezamenlijke actie", concludeert Elgin op basis van verklaringen van onder meer Rozendaal, die zelf ook lid was.

Dubbel opzet

De betrokkenheid van de Groep van 16 in de gepleegde 8 Decembermoorden staat dus onomstotelijk vast

"RECHTENS STAAT DUS onweerlegbaar vast dat dubbel opzet bij elk lid permanent aanwezig was." En zo onderbouwt Elgin op overtuigend reconstruerende wijze waarom Bouterse bijna geen schijn van kans maakt om als onschuldige onderuit te komen. Daarbij speelt 'dubbel opzet' (de wil tot samenwerking én de wil om het misdrijf te plegen) een cruciale rol voor 'medeplegen', waarvoor 'lijfelijke aanwezigheid' niet is vereist. Dus de bewering van Bouterse, dat hij niet aanwezig was in het Fort Zeelandia, leidt "absoluut niet tot de conclusie dat hij niet als verdachte kan worden aangemerkt".

Als het om de rol van de Groep van 16 gaat verwijst Elgin naar verklaringen van Samuel Monsels en Victor Leung Lo Hing. Zij verklaarden 'afzonderlijk' dat de gehele groep deelnam aan schietoefeningen achter Zanderij en zich vervolgens verzamelde in Fort Zeelandia, "waar een briefing werd gehouden over wat te doen stond". Volgens Monsels en Leung Lo Hing werd de groep aangevuld tot dertig man. "Hun taak was personen ophalen en afleveren te Fort Zeelandia. Ook moesten zij 'verzetshaarden' elimineren door gebouwen op te blazen of in brand te steken." Elgin concludeert uit bovenstaande met betrekking tot dubbel opzet: "De betrokkenheid van de leden in de gepleegde 8 Decembermoorden staat dus onomstotelijk vast."

Hoewel het requisitoir bulkt van weerzinwekkende feiten en verklaringen, is misschien wel het meest aangrijpende over de kille woorden van Bhagwandas tegen de echtgenote van slachtoffer André Kamperveen. Toen zij de volgende morgen nadat hij was opgehaald, met zijn medicijnen naar het fort ging, zou Bhagwandas haar even dubbelzinnig als ondubbelzinnig hebben gezegd: "Je man zal verlost worden van alle kwalen, hij heeft geen medicijnen nodig."

Aanwezig of niet?

Deze personen werden naar Bouterse gebracht. Niet lang daarna hoorde ik van dichtbij meerdere repeteerwapens overgaan

DE HAMVRAAG IN dit strafproces is: was Bouterse nou wel of niet aanwezig in Fort Zeelandia tijdens het voltrekken van de executies? Hijzelf heeft verklaard: "Ik was er niet toen de gevangen personen werden doodgeschoten." Wie de verschillende tegenverklaringen leest, vraagt zich in gemoede af hoe Bouterse dacht met deze bewering weg te komen. Zelfs zijn vroegere intimi waren niet in staat met de beste wil van de wereld hem een alibi te verschaffen. Fred Derby, de enige overlevende, verklaarde over de slachtoffers Surendre Rambocus, Jiwansingh Sheombar, Cyrill Daal, Kamperveen en Jozef Slagveer: "Deze personen werden naar Bouterse gebracht. Niet lang daarna hoorde ik van dichtbij meerdere repeteerwapens overgaan."

Getuige en ex-militair Onno Flohr, die deel uitmaakte van het vuurpeloton: "Het was acht uur des morgen toen ik plotseling schoten hoorde komen vanuit de achterkant van het fort. Ik kreeg via Rozendaal de opdracht dat ik naar boven moest gaan. Ik kwam in het kabinet van Bouterse. Op dat moment zag ik hem, kortom de leden van de Groep van 16."

Zo zijn er zeven verklaringen die tegen Bouterse pleiten, inclusief zijn eigen verklaring: "Ik meen mij te herinneren dat ik mij overdag het grootste gedeelte in het fort bevond. Ik heb de persoon Derby, een belangrijke informant, heengezonden." En: "Op uw concrete vraag of ik in het fort op 8 december 1982 schoten heb gehoord, moet ik bevestigend antwoorden. Ik heb wel navraag gedaan waarom werd geschoten, maar ik kreeg geen afdoend antwoord."

Hoge bewijswaarde

Nu Bouterse zelf toegeeft dat tijdens zijn aanwezigheid is geschoten, blijkt hiermee zijn aanwezigheid tijdens het schieten

OVERIGENS IS DE verklaring van Flohr van zeer grote waarde, ook waar het gaat om betrouwbaarheid. "Door de getuige Flohr is gezegd, nadat het vuurpeloton waarvan hij deel uitmaakte, klaar was met schieten, dat de mannen doorzeefd waren met kogels vanaf hun borsthoogte naar beneden en zegt hij: 'Ik zag Dijksteel zijn pistool uit zichzelf tevoorschijn halen en zijn patroonmagazijn leegschieten op deze stervende mannen. Ik zag dat een van hen werd geraakt aan het hoofd en dat zijn schedel openbarstte." Dit laatste detail komt overeen met wat staat in het sectierapport over Baboeram: "De schedel vertoonde rechts aan de bovenzijde een defect van circa 22 millimeter. Een gedeelte van de achterzijde ontbrak." Hierover zegt Elgin: "Zie hier de bevestiging van de waarheidsgetrouwe verklaring van deze getuige (Flohr, red…) en dus de hoge bewijswaarde."

Elgin concludeert: "Nu Bouterse zelf toegeeft dat tijdens zijn aanwezigheid is geschoten, blijkt hiermee zijn aanwezigheid tijdens het schieten. Het feit dat de getuigen Derby, Flohr en Jankipersad elk afzonderlijk zeggen dat op mensen werden geschoten, terwijl Bouterse in het fort aanwezig was, levert dus het onweerlegbaar bewijs dat Bouterse aanwezig was toen de executies plaatsvonden."

Of Bouterse zelf ook heeft geschoten? Daarvoor is er volgens Elgin geen 'onweerlegbaar getuigenbewijs'. Hierover zegt hij: "Ondanks het feit dat orakels beweren dat getuige Rozendaal dat ter terechtzitting zou hebben verklaard, is het realiteit dat de a.m. (auditeur-militair, red…) de getuige zulks niet heeft horen zeggen."

Desondanks stelt Elgin: "Uit het onderzoek ter rechtszitting is niet gebleken dat er sprake is van enige omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte opheft. Verdachte is dus strafbaar." Zijn krasse eindoordeel over de betrokkenheid van Bouterse is niet bepaald voor tweeërlei uitleg vatbaar: "Uit het onderzoek is met betrekking tot de persoon van de verdachte gebleken dat hij samen met anderen heeft gemeend zich te moeten opstellen als de heersers van leven en dood. Verdachten hebben zich de hoedanigheid van rechter en beul aangemeten. Hebben zonder enig vorm van proces, en dus met schending van wetten en verdragen op wreedaardige wijze het leven van hun medemens ontnomen." Elgin vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig jaar dan ook op zijn plaats, zwaar meegewogen is de "onherstelbare schade aangericht aan de slachtoffers, hun nabestaanden en het Surinaamse volk".

Desi Bouterse Bevelhebber

Share on Facebook    

Reageren op dit bericht? Bezoek onze Facebook-pagina